|
Rechtbank
Leeuwarden
Sector civiel recht
afdeling handelsrecht
Uitspraak: 27 juli 2005
Zaak-/Rolnummer: 67627 / HA ZA 04-1102
VONNIS
van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur: mr. J.H. van der Meulen,
advocaat: mr. E.F. Klungers
te Alkmaar,
tegen
mr. [gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur: mr. M.J. van Rooij.
PROCESGANG
De zaak is bij dagvaarding van 5 november 2004
aanhangig gemaakt. Mr. [gedaagde] heeft geconcludeerd voor antwoord. Bij
brief van 1 maart 2005 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.
Deze comparitie -waarvan proces-verbaal is opgemaakt- heeft plaatsgevonden op
26 april 2005. Bij brief, ingekomen ter handelsgriffie van deze rechtbank op
10 mei 2005, heeft mr. [gedaagde] gereageerd op het proces-verbaal. Deze
brief van mr. [gedaagde] is aan het proces-verbaal gehecht en maakt daarvan
onderdeel uit.
Partijen hebben producties overgelegd. Ten slotte is
door partijen vonnis gevraagd.
RECHTSOVERWEGINGEN
1. De vordering
De vordering van [eiser] strekt er toe dat de
rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, mr. [gedaagde] veroordeelt
tot betaling van een bedrag aan [eiser] van € 27.284,37, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 17 februari 2004 tot aan de dag der algehele
voldoening, met veroordeling van mr. [gedaagde] in de proceskosten.
Mr. [gedaagde] heeft tegen de vordering verweer
gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vordering en tot veroordeling van
[eiser] in de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
2. Vaststaande feiten
Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende
betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde
producties onder meer het volgende vast:
2.1. Bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van
30 augustus 1985 is tussen [eiser] en zijn toenmalige echtgenote, mevrouw [derde],
de echtscheiding uitgesproken, welk vonnis is ingeschreven in de registers
van de Burgerlijke Stand. Blijkens een notariële akte van 14 oktober 1983
hadden zij laten vastleggen, dat [eiser] wegens geldlening aan [derde] een
bedrag van fl. 35.000,00 schuldig was. Na de echtscheiding heeft [eiser]
tegen [derde] bij de rechtbank 's-Hertogenbosch een vordering aanhangig
gemaakt tot nietigverklaring van de bij voormelde notariële akte vastgelegde
overeenkomst. De belangen van [derde] werden in deze en de hierna volgende
procedure behartigd door mr. [gedaagde] als haar advocaat. Bij vonnis van 21
oktober 1988 is de vordering van [eiser] afgewezen.
2.2. Bij vonnis van de kantonrechter van het kantongerecht
's-Hertogenbosch van 3 maart 1987 is de tussen [eiser] en [derde] bestaande
huurovereenkomst met betrekking tot het tot dien door [derde] bewoonde pand
te 's-Hertogenbosch, eigendom van [eiser], ontbonden verklaard. Vervolgens
heeft [derde] in kort geding bij de rechtbank s'-Hertogenbosch
een executiegeschil aanhangig gemaakt en gevorderd dat het [eiser] zou worden
verboden het vonnis van de kantonrechter van 3 maart 1987 ten uitvoer te
brengen. De president van de rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij vonnis (in
kort geding) van 2 juli 1987 deze vordering afgewezen en in reconventie heeft
de president [derde] bevolen een ten laste van [eiser] door [derde] gelegd
executoriaal beslag op te heffen tegen het stellen van zekerheid door [eiser]
van een bedrag van fl. 17.000,00. [derde] heeft het pand in juli 1987
ontruimd.
2.3. Omdat deze gedwongen ontruiming naar de mening
van [derde] onrechtmatig was heeft zij vervolgens bij de rechtbank te Alkmaar
een procedure tegen [eiser] aangespannen tot betaling van een
schadevergoeding. [eiser] stelde een reconventionele vordering in. Bij vonnis
van de rechtbank Alkmaar van 14 juli 1994 werd de conventionele vordering van
[derde] afgewezen, terwijl de reconventionele vordering van [eiser] werd
toegewezen tot een bedrag van fl. 7.583,18. In hoger beroep heeft het
gerechtshof Amsterdam bij arrest van 28 november 1996 in conventie het
vonnis van de rechtbank Alkmaar bekrachtigd en in reconventie [derde]
veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van fl. 6.138,88, ofwel €
2.785,70 waarbij het hof de proceskosten aldus heeft gecompenseerd dat iedere
partij de eigen kosten draagt. De veroordeling van [derde] tot betaling van €
2.785,70 is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij arrest van de Hoge
Raad van 12 juni 1998 is de door [derde] ingestelde cassatie tegen het arrest
van het hof verworpen, waarbij de Hoge Raad [derde] in de proceskosten heeft
veroordeeld, aan de zijde van [eiser] begroot op nihil.
2.4. Nog vóórdat de Hoge Raad dit arrest had gewezen,
heeft [derde] [eiser] opnieuw gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar tot
betaling van de reeds eerder afgewezen schadevergoeding, hetgeen ertoe geleid
heeft dat de rechtbank Alkmaar [derde] bij vonnis van 12 maart 1998 in haar vordering
niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank Alkmaar heeft daartoe het
volgende overwogen:
"In deze procedure betreft het een zaak welke
reeds tussen dezelfde personen en over hetzelfde geschil voor de rechter
aanhangig is. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat in een dergelijk
geval de eisende partij op grond van de regels van het burgerlijk procesrecht
niet ontvankelijk dient te worden verklaard."
In dit vonnis heeft de rechtbank Alkmaar verder
[derde] veroordeeld in de proceskosten, die de rechtbank aan de zijde van
[eiser] tot aan die uitspraak heeft begroot op fl. 440,00 aan verschotten en
op fl. 1.200 aan salaris procureur (in totaal een bedrag van fl. 1.640,00
ofwel € 744,20 aan proceskosten). De proceskostenveroordeling is niet
uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5. Na het wijzen van het arrest door de Hoge Raad
van 12 juni 1998 heeft [derde] op 29 juli 1998 een verzoek ingediend bij de
president van de rechtbank Alkmaar tot het leggen van conservatoir beslag
onder zichzelf op hetgeen zij [eiser] verschuldigd was tot zekerheid voor
verhaal voor haar schadevergoedingsvordering op [eiser], waarover [derde] en
[eiser] al tot aan de Hoge Raad hadden geprocedeerd. De president van de
rechtbank Alkmaar heeft het gevraagde verlof verleend onder begroting van de
vordering van [derde] op [eiser] en onder voorwaarde van het instellen van de
eis in de hoofdzaak binnen 14 dagen na het leggen van het beslag. Op enig
moment heeft [derde] dat conservatoir verhaalsbeslag onder zichzelf doen
leggen.
2.6. Bij exploit van 29 juli
1998 heeft mr. [gedaagde] ten derden male een zelfde
schadevergoedingsvordering tegen [eiser] bij de rechtbank Alkmaar aanhangig
gemaakt . Bij vonnis van 10 juni 1999 heeft de rechtbank Alkmaar opnieuw
[derde] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Alkmaar heeft daartoe
overwogen:
"De rechtbank overweegt dat deze procedure een
zaak betreft welke reeds over hetzelfde geschil tussen dezelfde personen voor
de rechter aanhangig is geweest en dat de rechter reeds (inhoudelijk) bij
vonnis op de onderhavige vordering heeft beslist."
In dit vonnis heeft de rechtbank verder [derde] in de
kosten van het geding veroordeeld, die de rechtbank tot aan die uitspraak aan
de zijde van [eiser] heeft begroot op fl. 440,00 aan verschotten en op fl.
1.460,00 aan salaris procureur (in totaal een bedrag van fl. 1.900,00 ofwel €
862,18 aan proceskosten). De proceskostenveroordeling is niet uitvoerbaar bij
voorraad verklaard.
2.7. Bij beslissing van 9 juni 2000 heeft de Raad van
Discipline in het ressort Leeuwarden van een klacht van [eiser] tegen mr.
[gedaagde] het derde klachtonderdeel gegrond verklaard en terzake
aan mr. [gedaagde] de maatregel van berisping opgelegd. De Raad heeft
daarover overwogen:
"Uit de aan de Raad overgelegde bescheiden,
waaronder een vonnis van de rechtbank te Alkmaar d.d. 14 juli 1994, een
arrest van het hof te Amsterdam d.d. 28 november 1996, een vonnis van de
rechtbank te Alkmaar d.d. 12 maart 1998, waarbij mevrouw [derde]
niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat het geschil op dat moment bij de Hoge
Raad aanhangig was, een arrest van de Hoge Raad d.d. 12 juni 1998, een
dagvaarding d.d. 29 juli 1998, waarbij mevrouw [derde] andermaal haar
vordering tot schadevergoeding aanhangig maakte, een conclusie van antwoord
d.d. 15 oktober 1998 en een conclusie van repliek d.d. 10 december 1998,
blijkt, dat de daar bedoelde rechtsgedingen alle handelen tussen dezelfde
partijen over hetzelfde onderwerp. Mr. [gedaagde] heeft niet duidelijk
gemaakt, waarom de opeenvolgende procedures bij de rechtbank te Alkmaar
allemaal noodzakelijk waren. Ofschoon bij klachten door een partij over de
advocaat van de wederpartij de tuchtrechter grote terughoudendheid in acht
dient te nemen, is de Raad niettemin van oordeel dat in de onderhavige zaak
door volstrekt nutteloze procedures klager onnodig op kosten is gejaagd,
hetgeen aan mr. [gedaagde] is toe te rekenen. Dit klachtonderdeel is derhalve
gegrond."
2.8. Tegen deze beslissing van de Raad heeft mr.
[gedaagde] bij het Hof van Discipline als grief aangevoerd dat de Raad ten
onrechte onderdeel 3 gegrond heeft verklaard. Het Hof van Discipline oordeelt
hierover:
"Daartoe heeft verweerder betoogd -zakelijk
weergegeven- dat hij heeft gemeend dat in de eerste procedure van gezag van
gewijsde geen sprake was, omdat de rechter daarin met betrekking tot de
rechtsbetrekking in geschil geen beslissing had genomen bij een in kracht van
gewijsde gegane uitspraak, maar uitsluitend had
geoordeeld dat mevrouw [derde] onvoldoende bewijsstukken had overgelegd. De
grief kan reeds daarom niet slagen omdat uit rov.
5.6 van het in de eerste procedure gewezen arrest van het Gerechtshof te
Leeuwarden (toevoeging rechtbank: moet zijn gerechtshof te Amsterdam) van 28
november 1996 -het cassatieberoep waartegen door de Hoge Raad was verworpen-
blijkt dat het Hof de vordering van mevrouw [derde] tot schadevergoeding
wegens te betalen hogere huur ook zou hebben afgewezen indien het de bedoelde
bewijsstukken met een inhoud als door mevrouw [derde] gesteld wel had
aangetroffen, aangezien (aldus het Hof) op geen enkele wijze was gebleken dat
het om een vergelijkbare woning ging."
Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de
Raad van Discipline in het ressort Leeuwarden van 9 juni 2000 op dit
onderdeel bekrachtigd.
2.9. Op enig moment is op [derde] in het kader van de
Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) een schuldsaneringsregeling
van toepassing verklaard.
Beoordeling van het geschil
3. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat
mr. [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft geprocedeerd, waardoor hij tot
een bedrag van in hoofdsom € 23.143,03 schade heeft geleden. [eiser] voert
daartoe aan dat mr. [gedaagde] procedures heeft gevoerd waarvan op voorhand
duidelijk was dat ze zouden leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van de
cliënte van mr. [gedaagde] in haar vordering. [eiser] heeft hierbij het oog
op twee door [derde] tegen hem ingestelde procedures bij de rechtbank
Alkmaar, die uitmondden in de vonnissen van de rechtbank Alkmaar van 12 maart
1998 en 10 juni 1999. Daarnaast verwijt [eiser] mr. [gedaagde] dat zijn
cliënte conservatoir beslag onder zichzelf heeft doen leggen op hetgeen zij
[eiser] verschuldigd was tot zekerheid voor verhaal voor een vordering tot
schadevergoeding die zij op [eiser] stelde te hebben, die echter al in
hoogste instantie was afgewezen. Naast bedoelde hoofdsom van € 23.143,03
vordert [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €
4.141,34, zodat [eiser] in totaal een bedrag van € 27.284,37 vordert,
vermeerderd met wettelijke rente.
aansprakelijkheid
4. De rechtbank sluit zich met [eiser] in die zin aan
bij de beslissingen van de Raad van Discipline Leeuwarden van 9 juni 2000 en
van het Hof van Discipline van 31 augustus 2001 dat ook de rechtbank van
oordeel is dat mr. [gedaagde] tegen [eiser] op voorhand kansloze procedures
heeft gevoerd, zijnde de procedures die zijn uitgemond in de vonnissen van de
rechtbank Alkmaar van 12 maart 1998 en 10 juni 1999. De rechtbank acht
daartoe successievelijk van belang dat:
[derde] bij vonnis van 12 maart 1998
niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering omdat het een zaak betrof
die reeds tussen dezelfde personen en over hetzelfde geschil voor de rechter
aanhangig was;
[derde] bij vonnis van 10 juni 1999
niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering omdat het een zaak betrof
die reeds over hetzelfde geschil tussen dezelfde personen voor de rechter
aanhangig is geweest waarbij de rechter reeds (inhoudelijk) bij vonnis op de
vordering had beslist.
5. De rechtbank is van oordeel dat mr. [gedaagde] met
het betrekken van [eiser] in op voorhand kansloze procedures en het leggen
van het conservatoir eigenbeslag voor een vordering die al in hoogste
instantie was afgewezen, jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Mr.
[gedaagde] kan zich niet verschuilen achter de opdracht van zijn cliënte,
omdat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft om aan de hand van zijn
dossier de grond om een ander in rechte te betrekken of om eens anders
goederen te beslaan, tot op zekere hoogte te toetsen. Hoewel mr. [gedaagde]
terecht opmerkt dat in beginsel een advocaat daarbij veel (beoordelings)ruimte wordt gegund, is mr. [gedaagde] met
zijn handelwijze als hiervoor omschreven niet binnen de grenzen daarvan
gebleven. Hoewel evenzeer juist is, zoals mr. [gedaagde] opmerkt, dat de Hoge
Raad in een andere zaak heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een
beroepsfout van de advocaat als hij in een procedure een standpunt bepleit
dat in strijd is met de (reeds lang) heersende leer, heeft mr. [gedaagde] in
bedoelde procedures een dergelijk standpunt niet bepleit. Het argument dat
mr. [gedaagde] aanvoert dat hij de twee procedures heeft gevoerd omdat naar
zijn overtuiging inhoudelijk niet op de schadevergoedingsvordering van
[derde] was beslist omdat bewijsstukken ontbraken, gaat niet op. Zoals ook
het Hof van Discipline heeft opgemerkt, blijkt uit rechtsoverweging 5.6. van
het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 november 1996 dat het hof de
vordering van [derde] tot schadevergoeding vanwege het betalen van een hogere
huur ook zou hebben afgewezen als het hof de bedoelde bewijsstukken met een
inhoud als door [derde] gesteld, wel had aangetroffen.
schade
6. [eiser] vordert aan schadevergoeding een bedrag
van in hoofdsom € 23.143,03 en specificeert dat bedrag als volgt:
a) procedure rechtbank Alkmaar vonnis 12 maart 1998
juridische bijstand €
2.301,78
wettelijke rente tot en met 17 februari
2004 € 1.097,94
b) procedure rechtbank Alkmaar vonnis 10 juni 1999
juridische bijstand €
3.080,23
wettelijke rente tot en met 17 februari
2004 € 1.100,23
c) juridische bijstand executie
vonnissen € 1.076,97
wettelijke rente tot en met 17 februari 2004
€ 376,51
d) vordering [eiser] op [derde] € 2.785,70
wettelijke rente tot en met 17 februari 2004 €
6.323,67
e) smartengeld €
5.000,00
Onder posten a en b vordert [eiser] de werkelijk door
hem gemaakte proceskosten in de procedures bij de rechtbank Alkmaar. De onder
post c door [eiser] gevorderde kosten betreffen de werkelijk door hem
gemaakte juridische kosten voor de executie van de vonnissen van de rechtbank
Alkmaar van 12 maart 1998 en 10 juni 1999 en het arrest van het gerechtshof
Amsterdam van 28 november 1996. Onder post d vordert [eiser] van mr.
[gedaagde] de hoofdsom van € 2.785,70 waartoe [derde] bij arrest van het hof
Amsterdam van 28 november 1996 was veroordeeld. Onder post e vordert [eiser]
smartengeld.
werkelijk gemaakte proceskosten (posten a, b en c)
7. [eiser] heeft ter comparitie overgelegd
declaraties van zijn advocaat, wat betreft post a alle verwijzend naar
dossiernummer 1646, wat betref post b alle verwijzend naar dossier-nummer 1995 en wat betreft post c alle verwijzend
naar dossiernummer 1967, alsmede bewijzen van betaling naar aanleiding van de
hem gefactureerde bedragen. In het licht van deze overgelegde en in tijd met
de beide procedures corresponderende facturen en betalingsbewijzen, lag het
op de weg van mr. [gedaagde] zijn bij antwoord gevoerde verweer dat de kosten
die [eiser] opvoert niet uitsluitend te maken kunnen hebben met het voeren
van deze procedures nader te onderbouwen. De rechtbank oordeelt de enkele
stelling van mr. [gedaagde] dat de procedures door de advocaat van [eiser] op
eenvoudige wijze, maar doeltreffend zijn gevoerd daartoe onvoldoende, terwijl
deze stelling bovendien door [eiser] is betwist. Als schade komen evenwel
voor vergoeding in aanmerking de werkelijke proceskosten, voorzover
deze uitstijgen boven de proceskostenveroordeling. De posten a, b en c moeten
dan ook aldus worden toegewezen dat op post a nog in mindering moet worden
gebracht een bedrag van € 744,20 (proceskostenveroordeling vonnis 12 maart
1998) en op post b nog een bedrag van € 862,18 (proceskostenveroordeling
vonnis 10 juni 1999). De hierover gevorderde rente kan als zijnde niet,
althans onvoldoende gemotiveerd betwist eveneens worden toegewezen. Dit
brengt mee dat post a moet worden toegewezen tot een bedrag van € 1.557,58 (€
2.301,78 minus € 744,20). De rechtbank berekent de wettelijke rente daarover
op een bedrag van € 706,70. Met inachtneming van het voorgaande moet post b
worden toegewezen tot een bedrag van € 2.218,05 (€ 3.080,23 minus € 862,18).
De rechtbank berekent de wettelijke rente daarover op een bedrag van €
781,05.
De ingevolge posten a, b en c aan [eiser] toe te
kennen schadevergoeding komt in totaal op een bedrag van € 6.716,86 (€
1.557,58 + € 706,70 + € 2.218,05 + € 781,05 + € 1.076,97 + € 376,51).
vordering [eiser] op [derde] (post d)
8. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog dat
hij het bedrag waartoe [derde] door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van
28 november 1996 was veroordeeld niet heeft kunnen incasseren door het
onrechtmatig handelen van mr. [gedaagde]. [eiser] heeft niet kunnen uitleggen
waarom deze veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het
causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van mr. [gedaagde] en deze
schade is niet komen vast te staan, zodat deze post wordt afgewezen.
smartengeld
9. [eiser] vordert immateriële schadevergoeding op de
grond dat hij erg ontdaan is door het gebeuren, dat hij psychische hulp heeft
moeten inroepen en dat hij een verklaring van een huisarts kan overleggen,
die dit bevestigt. Mede gelet op het feit dat [eiser] en zijn ex-echtgenote
niet alleen betrokken zijn geweest in de onrechtmatig gevoerde procedures,
maar ook in andere -rechtmatige- procedures, is de rechtbank van oordeel dat
[eiser] hiermee onvoldoende heeft gesteld omtrent de hem persoonlijk
betreffende omstandigheden om aannemelijk te maken dat hij "nadeel dat
niet in vermogensschade bestaat" als bedoeld in artikel 6:106 BW heeft
geleden op grond van aantasting van hem als benadeelde in zijn persoon. Deze
post moet dan ook worden afgewezen.
voorts
10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan
hoofdsom een bedrag van € 6.716,86 toewijsbaar is. De daarover gevorderde
wettelijke rente kan als niet, althans onvoldoende gemotiveerd worden
toegewezen.
11. Overeenkomstig rapport Voor-werk
II, dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt, zal de rechtbank de gevorderde
vergoeding voor buitengerechtelijke kosten matigen tot een bedrag gelijk aan
twee punten van het (op de toe te wijzen hoofdsom) toepasselijke
liquidatietarief, zijnde € 768,00 (€ 384,00 per punt). De hierover gevorderde
wettelijke rente wordt afgewezen, nu [eiser] niet heeft gesteld dat (en
wanneer) hij deze kosten daadwerkelijk heeft betaald.
12. Mr. [gedaagde] moet als de hoofdzakelijk in het
ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.
BESLISSING
De rechtbank
veroordeelt mr. [gedaagde] tot betaling van een
bedrag aan [eiser] van € 7.484,86 vermeerderd met de wettelijke rente over €
6.716,86 vanaf 17 februari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt mr. [gedaagde] in de proceskosten, tot aan
deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 683,78 aan verschotten
en € 768,00 aan salaris procureur;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij
voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M. van der
Hoeven en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 27 juli 2005.
|